fbpx
 

; be humane

interview;

Ruud Lenssen

Macht aan de maker

‘Pionieren.’ Zo omschrijft filmmaker Ruud Lenssen zijn zoektocht naar de manier waarop hij het maakproces van zijn documentaires zoveel mogelijk in eigen hand houdt. Vorig jaar trok hij met zijn intieme en indringende documentaire Wei drie uitverkochte zalen bij Beholders. Voor Wei filmde hij zelf het ziekteproces van zijn vader met dementie. Maar de film was niet alleen bijzonder vanwege de intieme manier van filmen. Ook de rest van het maakproces was uniek te noemen. Daarover vertelt hij graag meer. “Ik zeg: macht aan de maker!”

De link tussen Ruud Lenssen en Beholders gaat al terug tot ver vóór de start van Beholders. In 2016 was hij namelijk al aanwezig op een bijeenkomst voor jonge filmmakers, die georganiseerd werd op Paaspop. De initiatiefnemers van de bijeenkomst, Willem Wouters en Mark van de Laarschot, vroegen Ruud en zijn collega-makers in deze sessie waar een documentairefestival in hun ogen aan moest voldoen. Niet geheel toevallig, want in 2019 organiseerden diezelfde initiatiefnemers voor het eerst Beholders; documentary dialogues.

Beholders - Ruud Lenssen (Foto Bram Becks)

Staat je nog iets bij van die bijeenkomst?
“Ja, uiteraard! Ik weet nog wel dat we een backstage-rondleiding door Paaspop kregen. En ik herinner met nog goed dat tijdens de bijeenkomst de bal echt bij ons als makers werd gelegd: wat willen jullie? Wat verwachten jullie van een festival? Het was voor ons als jonge filmmakers best moeilijk om daar antwoord op te geven. Ineens moest ik gaan nadenken: waar héb ik nou eigenlijk behoefte aan? Ik had daar op dat moment nooit goed over nagedacht. Het werd ook helemaal omgedraaid: in plaats van dat wij uitgenodigd werden op een documentairefestival, werd ons de vraag gesteld hoe we zo’n festival zouden willen inrichten. Dat omdraaien, vragen wat wíj wilden, vind ik achteraf typisch voor Beholders. Ook kan ik me herinneren dat ik later eens terugdacht aan die bijeenkomst en me afvroeg wat daar nou eigenlijk uit voortgevloeid zou zijn. Ik had toen geen idee dat dat Beholders was!”

En toen kwam je initiatiefnemer Willem tegen op het IDFA…
“Ja! Een paar jaren later zag ik Willem op het IDFA inderdaad. Ik wist meteen dat ik hem ergens van kende, maar had niet in de gaten dat dat van die bijeenkomst op Paaspop was. Toen is het contact hernieuwd en zo is het balletje pas echt aan het rollen gegaan.”

Inmiddels zijn we een heel aantal jaren verder. Jaren waarin Ruud werkte aan verschillende succesvolle documentaires, waaronder zijn film Wei. Na het succes van vorig jaar, wordt Wei ook dit jaar vertoond tijdens Beholders. Deze editie staat de film twee keer op het programma.

Maar je bent dit jaar niet alleen voor de vertoning van Wei bij Beholders.
“Klopt, ik ben er ook voor het industrieprogramma, het programma speciaal voor makers. Daar geef ik een workshop over de manier waarop je als maker helemaal zelf je eigen film kunt maken. Camerawerk, maar ook de montage, de productie, waaronder het verzamelen van de gelden, en de distributie. Dat heb ik voor Wei allemaal zelf gedaan. Ik ben niet alleen regisseur, maar noem mezelf liefst ‘allround filmmaker’. Wei was daar een extreem voorbeeld van. Ik deed echt álles zelf.”

‘Een vertoning op tv is voor mij niet het hoogst haalbare. Ik wil het liefst alle buurthuizen af, zodat we met zoveel mogelijk mensen in gesprek kunnen.’

Waarom heb je dat gedaan?
“Bij Wei had dit meerdere redenen. Ik zeg niet dat dit bij iedere film een goed idee is, want je moet per film bekijken wat het beste is voor die specifieke film. Ik ben nu bijvoorbeeld een documentaire aan het maken over Candy Jacobs, de skateboardster die deze zomer naar de Olympische Spelen is geweest en daar helaas positief getest werd op corona. Die film, A skate of mind, is veel visueler. Het is belangrijk dat de beelden precies kloppen. Daarom heb ik voor die film wél een cameraman en geluidsman ingeschakeld. Maar voor Wei was dat heel anders.”

Waarom dan?
“Wei was intiem en persoonlijk. Doordat ik het camera- en montagewerk zelf heb gedaan, kon ik die intimiteit beter vangen. En juist omdat die film zo dicht bij mezelf stond, wilde ik er de volledige zeggenschap over houden. Daarom ben ik gaan uitzoeken of ik de productie en distributie niet zelf kon doen. Wei had veel potentie, dat merkte ik al toen ik de crowdfunding ervoor ging opzetten. Die crowdfunding ging ‘viral’: binnen vier dagen had ik mijn streefbedrag binnen! Toen kreeg ik in de gaten hoe zeer het onderwerp dementie leeft in de samenleving. Dat bracht me weer op nieuwe ideeën. Ik wilde vooral dat de film zo breed mogelijk vertoond zou worden, zodat we er impact mee konden creëren. Voor sommige filmmakers is een vertoning op tv het hoogst haalbare. Daar denk ik totaal anders over: ik wil het liefst alle buurthuizen af om mijn film te vertonen, zodat we er met zoveel mogelijk mensen over in gesprek kunnen. Dat heb ik bij Wei gedaan. Ik merkte ook dat de mensen die op die avonden aanwezig waren, niet uitgepraat raakten over de film; het bracht zó veel teweeg. En dat is precies wat mijn drijfveer is: iets teweeg brengen, iets betekenen voor mensen. Dat doe je met een film, maar ook met het nagesprek. Juist met dat nagesprek kun je impact creëren. En dat nagesprek is er op tv niet.”

‘Als je wil dat filmmakers kunnen vernieuwen, zowel in vorm als in verhaal, dan moet je ze de ruimte geven om te experimenteren.’

“Daarnaast wil ik zeggenschap houden over mijn film. Dat geldt eigenlijk voor al mijn films, maar zeker bij een film als Wei, die me zo dierbaar is, wilde ik niet dat een producent zou gaan bepalen welke keuzes ik als regisseur zou moeten maken. Begrijp me goed: in andere gevallen zou je misschien beter wel in zee kunnen gaan met een producent, ik zeg zeker niet dat dat altijd een slecht idee is, maar voor Wei wilde ik zelf mijn keuzes kunnen maken. En ik wilde zelf kunnen bepalen waar en hoe ik de film vertoon.”

Hoe doe je dat concreet?
“Nou, een documentaire maken en vertonen zonder producent of distributeur, is echt pionieren. Ik heb helemaal uit moeten zoeken hoe bijvoorbeeld de distributie werkt. Hoe krijg ik, zonder distributeur, een film bij de theaters? Hoe doe ik de promotie? Hoe verdelen we de opbrengsten tussen alle betrokken partijen? Bij sommige bioscoopfilms is slechts 1% van de opbrengsten voor de regisseur! Het mag duidelijk zijn dat het loont om jezelf als maker te verdiepen in het zelf uitvoeren van de productie en distributie…”

“Maar ik doe het zeker niet alleen voor het geld! Wat ik vooral vind, is dat een maker een film moet kunnen maken die hij zélf wil maken. Ik bedoel: Van Gogh deed ook waar hij zelf zin in had. Die liet zich echt niet beknotten door iemand die hem vertelde hoe hij het moest doen. Als je wil dat filmmakers kunnen vernieuwen, zowel in vorm als in verhaal, dan moet je ze de ruimte geven om te experimenteren. Dat doe je door ze in hun kracht te zetten. Ik zeg: de macht aan de maker! Dan krijg je verhalen van makers die eigen zijn. Documentairemakers moeten vooral hun eigen verhalen kunnen vertellen. Niet het verhaal van een omroep of grote baas. Die macht kun je ook zelf pakken. Ik heb bewezen dat het kan.”

Macht aan de maker: dat klinkt alsof je op de barricade wil gaan staan.
“Ja, enerzijds wil ik dat wel. De filmwereld is conservatief, alles gebeurt via de bestaande paden. Veel jonge filmmakers gaan in zee met partijen omdat dat zo hoort, of omdat het cool klinkt. Maar een film maken doe je vanuit je hart. Er staat nu een nieuwe generatie op, die zich dat steeds meer realiseert. En die ook ziet: we kunnen het wél zelf. Daardoor ontstaan meer hybride vormen van film maken: een regisseur die ook zelf filmt of een maker die ook zelf de distributie doet. Dat ligt ook aan de technieken van tegenwoordig: met handzame camera’s en mobieltjes vergt het veel minder moeite dan voorheen om zelf een film te maken. Tegelijkertijd vind ik, zoals net ook al gezegd, dat je moet kijken naar wat het beste is voor jouw film. In dat opzicht wil ik ook weer niet op de barricade gaan staan. Er zijn genoeg documentaires waarvoor het wel goed is als een producent en/of distributeur zich ermee bemoeit. Sterker nog: ik ben nu gevraagd om een nieuwe documentaireserie te maken, en daarvoor ga ik zelf ook werken met een producent. Maar dat is een heel andere situatie dan met bijvoorbeeld Wei.”

Maar als filmmakers alles maar zelf doen, wie waarborgt dan de kwaliteit?
“Daar kun je op verschillende manieren naar kijken. Producenten bieden inderdaad een kwaliteitswaarborg. Van de andere kant: laat het maar gebeuren. Een film die volledig door de regisseur wordt gemaakt, kan inderdaad mislukken, maar het kan ook juist een pareltje opleveren. Op dit moment zien we bijvoorbeeld op televisie veel van dezelfde soort documentaires. Je ziet gewoon dat de grote filmfondsen makers dwingen om in een bepaalde structuur te werken. Ik vind dat beklemmend. En je kunt je afvragen: wat heb je aan steeds dezelfde soort documentaires? Het mag ook best wel eens ánders. Door filmmakers meer vrijheid te geven, wordt het specialer, mooier, unieker!”

“Meer macht voor de maker heeft trouwens nog een voordeel: je geeft jonge mensen de kans om door te breken. Nu is het heel moeilijk voor de jonge generatie om ertussen te komen. De filmfondsen en omroepen werken veel met dezelfde regisseurs, omdat ze weten dat dat scoort. Mijn werkwijze heeft zich deels gevormd omdat ik het moeilijk vond om door te breken. Gelukkig kunnen sinds kort ook autodidacten, dus makers die geen specifieke opleiding hebben gevolgd tot regisseur, toegang krijgen tot de fondsengelden. Dat biedt weer extra mogelijkheden.”

Dus er is wel degelijk iets aan het verschuiven?
“Jazeker! En nogmaals: ik zeg niet dat je per se alles zelf zou moeten doen. Maar het leidt sowieso tot meer diversiteit in het aanbod van documentaires. Wei bijvoorbeeld is niet perfect gemaakt en niet perfect gemonteerd, maar het ráákt je wel. Er zit een ziel in. Bij iedere film moet je vooral kijken: hoe haal ik het beste in een verhaal naar boven? Dát is waar het om draait!”